Verhalen van vruger

2014-05-10 17.35.39

Christ Kuijpers

Het verhaal van mijn vader Christ Kuijpers,Verhalen als jonge vent ging hij elke dag melken. Hij woonde in de Walsbergseweg nummer 19, en moest naar de Kaweiseweg/Bakelseweg daar was een groot weiland wat lag tussen andere weilanden van Driek Smits en Ties Claassen. ( dit waren de eerste ontginners). Met zijn transportfiets moest hij over een smal fietspad dat toen nog achter de bomen door liep, zeg maar tussen de bomen en de sloot. Langs de Walsbergseweg wat toen nog niet meer was dan een karre spoor. Een transportfiets was zwart met een breed stuur. Voorop zat een stalen rek. De dubbele stang was voor de stevigheid. Zo kon een paar honderd kilo vervoerd worden, al was daar stuurmanskunst voor nodig!

Mijn vader denkt er nog vaak aan terug met een lach en een traan. Hoe hij fietste met 2 melkbussen van elk 30 liter en een zij (zeef) voorop, zelfs in het hoogseizoen een extra melkbusje van 20 liter. Zo ging hij elke morgen en elke avond 7 dagen in de week melken in de toen nog ruige weilanden. Hij zat dan op een melk krukje onder de koeien. Het klinkt heel idyllisch, maar het moest gebeuren weer of geen weer, zin of geen zin. Zodra hij met het melken klaar was ging hij weer huiswaarts met zijn (volle melk) lading. Bij elke boerderij die hij passeerde kwam de geur van gebakken spek hem tegemoet.

Als hij was thuis gekomen moest hij de melk meteen in de koelbak doen om af te koelen. Gelukkig kon hij daarna ook zelf aan schuiven voor een stevig en hartig ontbijt met eieren en eigen gerookte spek. Tijd om de krant te lezen was er niet. De kippen en zeugen met biggen wachten inmiddels ook op hun voerbeurt en verzorging. 70 jaar geleden waren 10 koeien 30 zeugen en de nodige kippen een behoorlijke boerderij. Het viel niet mee toen als boer!

 

2014-05-10 17.28.27

Christ Kuijpers

De dorpsslachter Tontje

Elk jaar zo rond oktober, november was het weer de tijd dat er een varken werd geslacht.
In ruim een half jaar was een big van 25 kg uit gegroeid tot een volwassen varken van 140 kg met een royaale speklaag.
Het was voor ons als boeren kinderen altijd een spannend gebeuren, we zeurden dan ook al lang van tevoren of dit niet op een zaterdag kon gebeuren zodat we in elk geval niet naar school moesten. Vaak werd daar dan ook wel rekening mee gehouden. Het was ook best wel een hele klus, dus konden wij nog snel wat anderen werkjes doen op de boerderij zodat vader de voorbereidingen voor het slachten kon treffen.

Als dan de huisslachter aan kwam met zijn stofjas met daarin zijn gereedschap gerold en zijn grote laarzen dan waren wij erg zenuwachtig.
Ook al omdat hij ons altijd liet schrikken en plaagden. Het was Tontje Tontje de slachter ( Toon van de Berkmortel ) hij verzorgde de huis slachtingen in ons dorp in de Walsberg. Dat was toen eigelijk huis aan huis, veel burgers in het dorp hadden toen der tijd een varken om te mesten. De gezinnen waren groot dus er moest ook voldoende voedsel zijn vlees van het eigen varken en groenten uit den hof. Als Tontje zijn gereedschap uit stalden en zijn stofjas aantrok dan steeg de spanning tot het hoogte punt. Voordat het varken verdoofd werd en het mes op zijn keel kreeg moesten wij toch nog snel even gaan pissen want dat was nog net wat teveel om te zien maar we wilden ons natuurlijk wel groot houden. Het verdere proces werd wel nauwkeurig gevolgd als we dan stonden te kijken met onze handen in de zakken zei Tontje wat staan jullie daar te kijken help maar eens mee.
Als we dan iets vast hielden en we later weer met de handen in de zakken schoten schrok je als een bang wezel want dan zat er namelijk een staart in je zak. Daarna ging het varken op de ladder en werd die in de bijkeuken tegen de muur gezet om verder enkel dagen uit te sterven. De ramen en deuren werden gesloten om de katten buiten te houden.

Als het varken enkele dagen op de ladder had gehangen wat nodig is voor wat men noemt de versterving dan werd er plaats gemaakt in de keuken en de bijkeuken. Vlak daarna werd begonnen met het uitbenen van het karkas (het verdelen in kleine porties en onderdelen) karbonade ,soepschenken, speklappen, gehakt, worst en het verder uit benen van de achterhammen.
Het was een hele klus om een varken aan de kant te werken zoals ze dat noemde de gehaktmolen op de hoek van de tafel voor de worst en het gehakt, en de dampende pannen op het vuur voor de zult en het smelten van het vet. Ik zie nog de beslagen ramen en mijn moeder die het erg druk had maar met de regie strak in handen. Ik hoor haar nog zeggen na zo een dag is heel mij keuken vet en rommelig. Als de hammen waren ontdaan van het been werden ze met de hand flink in gewreven met zout, en dan opgeslagen in een stenen bak in de kelder. Hier bleven ze ruim een maand in de pekel bak liggen.In mijn tijd ging wel alles in de diepvries (in het dorp was een soort coöperatie ) en niet zoals eerder in de weckflessen.

Behalve natuurlijk de worst en de hammen, de worst ging in de spekkast, een smalle hoge kast langs de kachel.
De kast was verdeeld in 3 gedeeltes onder de klotbak waar het stookhout in moest voor de kachel, in het midden de proviandkast, en boven tot aan het plafond de spekkast. In die spekkast zat een klein luikje dat in verbinding stond met de schouw, zodat de worst altijd in de warme rook hing en lekker kon drogen en roken. Als de hammen uit de pekel kwamen werden ze afgewasen en gedroogd om later op tehangen in de schouw waar ze ook enkele weken moesten roken. ook kwamen er mensen uit het dorp bij ons hammen roken wij hadden een groten schouw en er werd altijd hout gestookt de hammen kregen dan de naam van de eigenaar.

– Henk Kuijpers

Nellie Kuijpers staat in het midden achterin.

Nellie Kuijpers staat in het midden achterin.

 

Familie van de Vranden

Familie van de Vranden